Arbeiders Jeugd Centrale [AJC]

 

In oude foto albums van mijn moeder vond ik enkele foto's van volksdansende jongeren, gemaakt in 1945 in Vierhouten. Op de Paasheuvel wel te verstaan, waarover zij met enthousiasme en warme herinneringen kon vertellen.

[foto: geheel rechts zittend is mijn moeder An van Wereld]

Voor een ieder die enige interesse heeft in de socialistische geschiedenis van Nederland, een bekend ‘rood' bolwerk. Uit de verhalen van mijn moeder en haar leeftijdsgenoten, kende ik zowel de vrolijke en op ontspanning gerichte anekdotes, als de mogelijkheden die geboden werden om arbeidersjongeren, die toentertijd nog massaal op hun 14e jaar aan het werk moesten, iets bij te leren. Waar door vele jongeren dankbaar gebruik van gemaakt werd!

[foto: het meisje met de blokfluit is An van Wereld]

Voor de oprichting
In het Nederland van rond 1900 vroeg een groep goedbedoelende intellectuelen zich wanhopig af hoe zij de eeuwenoude sociale verbanden kon vervangen. Dankzij de opmars van de moderne techniek werden deze namelijk uiteen gereten en ontstond er in hun ogen een verfoeilijke massacultuur in plaats van ambachtelijk vakmanschap, verbondenheid met de natuur en kunstzinnig genot. Hoe kon men een nieuwe geborgenheid voor de mens creëren, die door Darwin, Freud, Nietzsche en Dostojewski te kijk was gezet als een bangelijk dier, gedreven door driften en demonen?

Het Marxistisch socialisme leek voor dit alles een aantrekkelijk alternatief te bieden, op termijn. Maar veel weldenkende burgers die het zich veroorloven konden, wilden de beloften van het socialisme, gemeenschapszin en volledige individuele ontplooiing, nog bij hun leven inlossen.

Jonge onderwijzers in spe, voor wie de kweekschool vaak een eerste stap was op de sociale ladder, raakten eveneens bedwelmd door dit elixer van materialistische wereldbeschouwing en esoterische bevlogenheid. Toen daar nog eens de ervaring overheen kwam van de weerzinwekkende WO I, die honderdduizenden jongemannen voorgoed de loopgraven en modder injoeg, wisten zij wat hun taak was in dit leven. Opvoeding van jongens en meisjes tot gezonde gemeenschapsmensen, als kiem voor een nieuwe en betere wereld. `Leren een goed mens te zijn'. Of zoals Eduard Bernstein het in 1899 formuleerde: `Wij kunnen van een klasse, waarvan de meerderheid gebrekkig gehuisvest is, slecht onderwijs heeft genoten en een onzekere en onvoldoende broodwinning heeft, niet dat hoge intellectuele en morele peil verwachten, dat de voorwaarde is voor de vestiging en het voortbestaan van een socialistische maatschappij.'


De oprichting van de AJC op 18 maart 1918 was een gezamenlijk initiatief van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). De AJC streefde ernaar het socialistische cultuurideaal in eigen gelederen te realiseren. Zo ontwikkelden zich karakteristieke omgangsvormen - zonder alcohol en tabak - met een eigen manier van kleden, feestvieren en vrijetijdsbesteding. Wandelen, kamperen en lichaamsoefeningen hoorden daarbij.

Door de vrije omgangsvormen tussen jongens en meisjes, werden ze in de volksmond ook wel de ‘grasnaaiers' genoemd. En inderdaad veel ‘moetjes' [huwelijken waarbij de vrouw al zwanger was] kwamen tot stand, na trektochten langs Jeugdherbergen en kampeerplaatsen.

De AJC was uiteraard ook actief op het politiek-culturele vlak. Het socialistische cultuurideaal werd onder andere gevoed door activiteiten als volksdansen, muziek, zang en lekenspel, die het gemeenschapsgevoel versterkten.

Volgens sommigen was de AJC een beetje een `sekte' met elitaire trekjes. AJC'ers zouden zich een beetje `uitverkoren' voelen, met een zelfbewustzijn dat kon omslaan in `hooghartigheid'. Al in 1925 was er stevige kritiek van SDAP-ideoloog en socioloog W.A. Bonger: `Wie denkt dat gezellig op de hei kampeeren, daar vroolijk dansen en met mooie vlaggen zwaaien een nieuwe cultuur is, moet eerst nog eens zich op de hoogte stellen wat een waarachtige nieuwe beschaving in de wereldgeschiedenis was.'

Natuurlijk werd het lezen door de AJC aangemoedigd en er werd veel gelezen, veel naar kunst gekeken en werden er aanbevelingen met betrekking tot wat je zou moeten lezen gedaan. Dat dit overwegend het veilige realisme was, zoals dat sinds 1929 door de Arbeiderspers ten behoeve van de 'rode familie' gedistribueerd werd, zo wat? Populair waren de sociaal maatschappelijk betrokken boeken van Herman Heijermans en A.M. de Jong. En tja, die stonden bij ons thuis ook in de boekenkast gezellig naast ‘zwaarder' leesvoer [lees literatuur]!

Overigens wel degelijk een verworvenheid dankzij SDAP en AJC, mijn grootouders hadden helemaal geen boeken. Zij konden het zich niet veroorloven!

Het interne zendingswerk van de AJC groeide vanaf de jaren dertig uit tot een kerntaak van de Nederlandse sociaaldemocratie.

Koos Vorrink [1891-1955]

was één van die bevlogen onderwijzers en bleek een krachtig en bezielend leider van de AJC. Van 1927 tot 1934 was hij landelijk voorzitter. Hij vroeg de oud-onderwijzer en musicus Piet Tiggers [1891-1968] voor de opbouw van het muziekwerk in de AJC en diens echtgenote Line Hoven verzorgde het volksdansen op de leiderscursussen. Tiggers pleitte voor het zingen van Nederlandse liederen. Populaire schoolliedjes als ‘de Zilvervloot, In een blauw geruite kiel' uit de bundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee' kwamen echter NIET in aanmerking omdat ze de gevestigde burgercultuur vertegenwoordigden. Ook de meezingers en smartlappen werden om hun commerciële platvoersheid verafschuwd. Naast de Socialistische liederen koos hij voor de bundel ‘Het Nederlandsche Lied' uit 1903.

En inderdaad ik hoor mijn moeder nog zingen; 'Wij zijn de jonge garde van het Pró-le-tári-áát', en `Kom mee naar buiten alle-máál, dan horen wij de wiele-wáál'... Overigens zong zij ook uit volle borst de andere liedjes hoor! Later zou zij nog lid worden van het socialistische zangkoor 'De Stem des Volks' en jarenlang de prachtigste solo partijen zingen. Naast het zingen konden de jongeren een muziekinstrument leren bespelen; de mandoline en de blokfluit waren veruit 't meest in trek.

Vorrink was niet alleen in Nederland een vooraanstaand sociaal-democraat, maar speelde ook een belangrijke rol in de internationale beweging. Vanaf begin jaren twintig had de AJC contacten met socialistische jeugdbewegingen in de buurlanden. Later werd Koos voorzitter van de SDAP en na de oorlog van de PvdA. Hij was actief in het verzet, onder andere bij 'Het Parool'. In 1945-1946 regeringscommissaris voor het toezicht op politieke ‘delinkwenten'. In de periode 1937-1954, lid Tweede Kamer, lid Eerste Kamer

Zoals gezegd maakten AJC'ers veel wandel- en fietstrektochten en overnachtten o.a. op eigen terreinen, zoals op de Paasheuvel in Vierhouten.

[foto: rechts mijn moeder]

De Paasheuvel

ligt op een heuvel [de Paasheuvel] aan 't Frusselt in het Veluwse dorp Vierhouten. In 1922 werd door de AJC een kale heuveltop op de heide in Vierhouten aangekocht. Dit terrein was ongeveer één hectare groot. De heuvel stond volgens de toenmalige Vierhouter bevolking bekend onder de naam "De Paasheuvel", omdat er in vroeger tijden met Pasen vuren op de top werden gestookt. Op en rond de heuvel werden tentenkampen ingericht, waar de AJC'ers gedurende hun korte vakantie verbleven.

In juni 1923 werd er op deze heuveltop het kamphuis "Paaschheuvel" gebouwd, dat in december feestelijk in gebruik werd genomen. De leden van de AJC hadden het kamphuis zelf bekostigd, door het plakken van zegels van twee en een halve cent, de zogenaamde Kampfondszegels.
Voor het geven van voorstellingen en optredens werd bij de "Paasheuvel" een groot openluchttheater aangelegd. Dit theater ligt er nu nog steeds

Na een periode van bloei in de jaren twintig, kreeg ook de AJC te maken met de crisisjaren. De AJC concentreerde zich nu ook op kampen en werkprojecten voor werkloze jongeren. In oorlogstijd besloot de AJC zich, anders dan de rest van de rode zuil, op te heffen. In 1945 werd ze direct weer opgericht en groeide het ledental snel. In de jaren '50 begon het ledental echter sterk terug te lopen. Tijdens het laatste congres van de AJC op 28 februari 1959 werd besloten de AJC op te heffen.

In 1982 zag een wetenschappelijke studie het licht, ‘De Arbeiders Jeugd Centrale' door hoogleraar Frits de Jong Edz. e.a.

De opkomst, bloei en afsterving van de AJC worden erin bezongen als een geslaagde emancipatie. Een geleidelijke `ingroei' van de voorhoede van de arbeidersjeugd in een samenleving die mede dankzij de inzet van talrijke AJC'ers, zijn onverschillige, asociale trekjes is kwijtgeraakt.

 

 

Bronnen voor dit artikel zijn het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis [IISG]  en een aantal webpublicaties, zoals Waarom jij niet? 1927

Terug naar Publicaties